Informatie over de regels inzake overheidsopdrachten en concessieovereenkomsten voor lokale besturen

Verplicht elektronische facturatie

Het koninklijk besluit van 9 maart 2022 (Belgisch Staatsblad van 31 maart 2022) stelt de modaliteiten vast aangaande de verplichting voor de ondernemers op het gebied van de elektronische facturering in het kader van overheidsopdrachten en concessieovereenkomsten. 

 

Antecedenten 

Met de wet van 7 april 2019 tot wijziging van de wet van 17 juni 2016 inzake overheidsopdrachten, de wet van 17 juni 2016 betreffende de concessieovereenkomsten, de wet van 13 augustus 2011 inzake overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten op defensie- en veiligheidsgebied en tot wijziging van de wet van 4 mei 2016 inzake het hergebruik van overheidsinformatie 1 kreeg de elektronische facturatie door ondernemers aan aanbesteders in het kader van overheidsopdrachten en concessieovereenkomsten een wettelijke basis. 

Echter, de artikelen 6, 14 en 20 van voormelde wet die de elektronische facturatie door ondernemers aan aanbesteders daadwerkelijk verplichten traden nog niet in werking, vermits deze inwerkingtreding afhankelijk was gemaakt van een nog te nemen koninklijk besluit 2

Niettemin was er toch een soort overgangsregime want de artikelen 9, 17 en 24, die bepaalden dat de ondernemers hun facturen elektronisch kunnen versturen naar de aanbesteders en de aanbesteders deze facturen ontvangen en verwerken in werking getreden op 1 april 2019 voor alle overheidsopdrachten en concessies, met inbegrip van de lopende overheidsopdrachten en concessies 3 (de andere bepalingen van de wet traden in werking op gebruikelijke wijze binnen de tien dagen na publicatie in het Belgisch Staatsblad zoals bepaald in artikel 26 van bovenvermelde wet) 4

Concreet dienden dus alle aanbesteders vanaf 1 april 2019 de verzending van elektronische facturen te aanvaarden en te verwerken voor hun lopende en toekomstige overheidsopdrachten 5

 

Met het koninklijk besluit van 9 maart 2022 tot vaststelling van de modaliteiten aangaande de verplichting voor de ondernemers op het gebied van de elektronische facturering in het kader van overheidsopdrachten en concessieovereenkomsten wordt een concrete datum voor de inwerkingtreding van de artikelen 6, 14 en 20 van de wet van 7 april 2019 vastgesteld en wordt de elektronische facturatie door ondernemers aan aanbesteders dus effectief verplicht

 

Toepassingsgebied en inwerkingtreding van het koninklijk besluit 

Ten eerste is de verplichting tot elektronische facturatie niet van toepassing op de overheidsopdrachten en concessieovereenkomsten waarvan het geraamde bedrag lager is of gelijk is aan 3 000 euro, exclusief belasting over de toegevoegde waarde. Dit betekent dus dat het KB wel van toepassing is op alle overheidsopdrachten en concessieovereenkomsten boven deze drempel 6

Ten tweede gebeurt de inwerkingtreding van de verplichte e-facturatie gefaseerd. Er zijn drie belangrijke datums te onthouden 7

  1. 1 november 2022 8 

Voor de overheidsopdrachten en concessieovereenkomsten waarvan de geraamde waarde gelijk is aan of hoger is dan de drempel voor Europese bekendmaking, die vanaf die datum worden bekendgemaakt of hadden moeten worden bekendgemaakt, alsmede voor de overheidsopdrachten en concessieovereenkomsten waarvoor, bij gebreke van een verplichting tot voorafgaande bekendmaking, vanaf die datum wordt uitgenodigd tot het indienen van een offerte. Voor deze overheidsopdrachten en concessieovereenkomsten is de in aanmerking te nemen datum van bekendmaking deze van de bekendmaking in het Bulletin der Aanbestedingen. 

  1. 1 mei 2023 9 

Voor de overheidsopdrachten en concessieovereenkomsten waarvan de geraamde waarde lager is dan de drempel voor Europese bekendmaking maar hoger of gelijk is aan 30 000 euro exclusief belasting over de toegevoegde waarde, die vanaf die datum worden bekendgemaakt of hadden moeten worden bekendgemaakt, alsmede voor de overheidsopdrachten en concessieovereenkomsten waarvoor, bij gebreke van een verplichting tot voorafgaande bekendmaking, vanaf die datum wordt uitgenodigd tot het indienen van een offerte. 

  1. 1 november 2023 10 

Voor de overheidsopdrachten en concessieovereenkomsten waarvan de geraamde waarde lager is dan 30 000 euro exclusief belasting over de toegevoegde waarde, die vanaf die datum worden bekendgemaakt of hadden moeten worden bekendgemaakt, alsmede voor de overheidsopdrachten en concessieovereenkomsten waarvoor, bij gebreke van een verplichting tot voorafgaande bekendmaking, vanaf die datum wordt uitgenodigd tot het indienen van een offerte. 

 

De lokale besturen zullen dus rekening dienen te houden met deze aankomende wijzigingen en hun opdrachtdocumenten in die zin opstellen. 

 


1 Hiermee werd de Europese richtlijn 2014/55/EU van 16 april 2014 van het Europees Parlement en de Raad inzake elektronische facturatie bij overheidsopdrachten die aanbesteders verplicht elektronische facturen te kunnen ontvangen en verwerken, in Belgisch recht omgezet. 

2 Zie art. 26, derde lid, van de voormelde wet van 7 april 2019.

3 In de wet van 17 juni 2016 inzake overheidsopdrachten bijvoorbeeld gaat het om artikel 192/1: "De ondernemers kunnen hun facturen elektronisch versturen naar de aanbesteders. De aanbesteders ontvangen en verwerken de elektronische facturen die naar hen worden verstuurd." 

4 Art. 26, eerste en tweede lid, van de wet van 7 april 2019.  

5 In de omzendbrief van 3 juli 2020 easy.brussels/2020/e-Inv. – "Uitbreiding van het gebruik van de elektronische factuur door de entiteiten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest" (Belgisch Staatsblad van 17 juli 2020) die van toepassing is op de gewestelijke entiteiten, werden, behoudens enkele uitzonderingen, de ondernemers reeds verplicht hun facturen elektronisch toe te zenden (vanaf 1 november 2020 voor alle overheidsopdrachten overeenkomstig de bepalingen van punt 5 van deze omzendbrief). Daarnaast werden de gewestelijke entiteiten eveneens verplicht hun eigen facturen elektronisch te versturen naar overheidsinstellingen die op Mercurius geregistreerd zijn. Meer info hieromtrent op easy.brussels – Elektronische factuur.

6 Art. 2 t.e.m. 4 van het koninklijk besluit van 8 maart 2022. – Het betreft dus zowel de overheidsopdrachten en concessieovereenkomsten in de klassieke en de speciale sectoren, als de (overheids)opdrachten op defensie- en veiligheidsgebied. 

7 Art. 5 van het vermeld KB van 8 maart 2022.  

Art. 1, 1°, van hetzelfde KB. 

Art. 1, 2°, van hetzelfde KB. 

10 Art. 1, 3°, van hetzelfde KB. 

Het nemen van beslissingen bij het plaatsen van overheidsopdrachten

Bij het plaatsen van iedere overheidsopdracht, met inbegrip van opdrachten die voortvloeien uit een gesloten raamovereenkomst, moet een aanbestedende overheid die niet formeel beslist de plaatsing van haar overheidsopdracht aan een andere aanbestedende overheid (gezamenlijke opdracht, aankoopcentrale, enz.) toe te vertrouwen, in principe minstens twee formele beslissingen in een welbepaalde volgorde nemen: eerst de keuze van de plaatsingsprocedure en de vaststelling van de voorwaarden van de opdracht (inclusief het budgettaire kader in verband met de te verrichten uitgaven) en vervolgens de gunning van de opdracht.

 

Met toepassing van artikel 169, tweede lid van de wet van 17 juni 2016 inzake overheidsopdrachten worden voor de andere publiekrechtelijke personen dan deze bedoeld in het eerste lid van dit artikel de bevoegdheden voor het plaatsen en uitvoeren van opdrachten uitgeoefend door de overheden en organen bevoegd krachtens de bepalingen van een wet, decreet, ordonnantie, reglement of statuut. Voorbeelden hiervan zijn de artikelen 234 en 236 van de Nieuwe Gemeentewet voor de gemeenten, de artikelen 27, § 1 ter en 84 van de organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn van 8 juli 1976 voor de OCMW's en artikel 33 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus voor de politiezones.

 

Wanneer eenzelfde orgaan echter bevoegd is om zowel over de keuze van de plaatsingsprocedure te beslissen en de voorwaarden voor overheidsopdrachten te bepalen als de overheidsopdrachten te gunnen, kan worden overwogen deze twee beslissingen tijdens eenzelfde zitting te nemen, in de vorm van een "twee-in-één"-beslissing of in twee opeenvolgende beslissingen, op voorwaarde dat de geraadpleegde ondernemers niet verzocht zijn een formele offerte in te dienen op basis van bijzonder vooraf vastgestelde voorwaarden voor overheidsopdrachten. De voorwaarden van een overheidsopdracht moeten immers door het bevoegde beslissingsorgaan worden vastgesteld voordat ze worden gedeeld of bekendgemaakt in het kader van de raadpleging van de open markt, en kunnen niet worden bekrachtigd in het stadium van de gunning van de opdracht.

 

Bij overheidsopdrachten van beperkte waarde, zoals bedoeld in artikel 92 van de voormelde wet van 17 juni 2016 (overheidsopdrachten waarvan de geraamde waarde lager is dan 30 000 euro excl. btw) is het mogelijk de opdracht aan mededinging te onderwerpen, hetzij door de ondernemers te verzoeken een formele offerte in te dienen op basis van vooraf bepaalde opdrachtvoorwaarden, hetzij door indien mogelijk de voorwaarden van meerdere ondernemers te raadplegen zonder de indiening van offertes te vragen (artikel 124 van het koninklijk besluit plaatsing overheidsopdrachten in de klassieke sectoren van 18 april 2017). Alleen in het laatste geval zal de hierboven beschreven uitzonderlijke situatie ("twee-in-één"-beslissing of het nemen van beide beslissingen tijdens dezelfde zitting) worden toegestaan.

 

Bij een onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking moet het indienen van een offerte gebeuren op basis van vooraf bepaalde opdrachtvoorwaarden. Daarom moet het bevoegde beslissingsorgaan een formele beslissing nemen om de plaatsingsprocedure te kiezen en deze voorwaarden vast te stellen.

 

Zelfs bij een onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking op basis van artikel 42, § 1, eerste lid, 1°, b) van de voornoemde wet van 17 juni 2016 ([als] "voor zover dit strikt noodzakelijk is, de termijnen voor de openbare of niet-openbare procedure of de mededingingsprocedure met onderhandeling wegens dwingende spoed voortvloeiend uit onvoorzienbare gebeurtenissen voor de aanbestedende overheid, niet in acht kunnen worden genomen. De ter rechtvaardiging van de dwingende spoed ingeroepen omstandigheden mogen in geen geval aan de aanbestedende overheid te wijten zijn") moet de aanbestedende overheid een eerste beslissing nemen over de keuze van de plaatsingsprocedure en het vastleggen van de voorwaarden van de opdracht vóór de start van de procedure. Deze werkwijze wordt als volgt bevestigd door de Raad van State in zijn arrest nr. 249.291 van 18 december 2020:

 

De beslissing om gebruik te maken van de onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking moet door de bevoegde overheid worden genomen vóór de start van de procedure. Volgens de constante rechtspraak van de Raad van State kan een bevoegdheidsprobleem niet a posteriori door bekrachtiging worden verholpen. Dit is hier des te meer het geval, aangezien de beslissing om van dit soort procedure gebruik te maken ondernemers uitsluit van de mogelijkheid eraan deel te nemen, en dus rechtsgevolgen heeft vóór de vaststelling van de beslissing tot gunning van de opdracht, die geacht wordt de opdracht door de bevoegde autoriteiten te bekrachtigen.

[…] Artikel 4, tweede lid van de wet van 17 juni 2013 dat met betrekking tot de beslissingen om gebruik te maken van een onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking stelt dat "de motieven van de beslissing [dienen] te bestaan op het ogenblik van de beslissing", maar dat "de formele gemotiveerde beslissing a posteriori [kan] worden opgesteld, door ze op te nemen in de eerstvolgende beslissing [zoals die om de opdracht te gunnen]", maakt het prima facie niet mogelijk aan te nemen dat de beslissing om een dergelijke procedure (negocium) te gebruiken op het moment van de gunningsbeslissing kan worden vastgesteld. Bovengenoemde wettelijke bepaling heeft uitsluitend betrekking op de formele motivering van de daarin genoemde beslissingen. Ze heeft niet als doel af te wijken van de regels betreffende de bevoegdheid van de beslissingnemers. In de bepaling wordt bovendien verduidelijkt dat de motieven van de beslissing dienen te bestaan "op het ogenblik van de beslissing", terwijl de gemotiveerde formele beslissing a posteriori kan worden opgesteld (instrumentum)" (eigen vertaling).

 

De aanbestedende overheden worden daarom verzocht bij de planning van de plaatsingsprocedures van hun overheidsopdrachten rekening te houden met de tijd die nodig is om twee afzonderlijke beslissingen te nemen (behalve

Informatie over Covid
  • 26 maart 2020 - COVID-19 verhindert niet alles, is geen uitleg voor alles en rechtvaardigt niet alles.

Niemand kan vandaag nog naast COVID-19 kijken.  Na de uitroeping van COVID-19 tot pandemie heeft de federale regering een reeks maatregelen genomen die beschikbaar zijn op de website www.info-coronavirus.be.  De maatregel die ons het meest interesseert zowel beroepsmatig als op privévlak is de quarantaine sinds 18 maart 2020 ’s middags.

Ondanks de ontreddering dient de continuïteit van de openbare diensten verzekerd te worden.  Bijzondere volmachten werden toegekend aan de federale, gewestelijke en gemeenschappelijke overheden om hen toe te laten sneller faciliterende maatregelen op voorlopige en uitzonderlijk basis te nemen.  Wat betreft de lokale Brusselse besturen, verwijs ik hiervoor naar de portaalsite van het BPB:  http://plaatselijke-besturen.brussels/nl/covid-19-maatregelen.

Veel vragen rijzen in alle domeinen en de overheidsopdrachten ontsnappen hier niet aan.  Informatie is een beetje overal en in alle richtingen te vinden.  Echter, hou in gedachten dat iedere situatie verschillend is en een aangepast en gepersonaliseerd antwoord vereist in functie van de concrete elementen van elk dossier.

Dit is ook het moment om eraan te herinneren dat u, in onze rechtsstaat, ondanks de huidige omstandigheden, het wettelijke kader vastgelegd door de federale overheid dient te respecteren en dat voor de overheidsopdrachten en concessieovereenkomsten gebaseerd is op de volgende wetten en hun uitvoeringsbesluiten:

U dient eveneens de bevoegdheidsregels om beslissingen te nemen die van toepassing zijn op uw bestuur/organisme te respecteren.

De huidige crisis veroorzaakt door COVID-19 wordt zeer dikwijls ingeroepen door ondernemers om een tolerantere houding te verkrijgen van aanbestedende overheden (afwezigheid van een voorafgaand bezoek alvorens een offerte in te dienen alhoewel vereist op straffe van nietigheid, het verzenden van de offerte per e-mail alhoewel deze indieningswijze aanvankelijk niet voorzien was, vertraging in de uitvoering van de opdracht, enz.) of hen een wijziging van de overeenkomst te vragen, de uitvoeringstermijn te verlengen, schadevergoeding of schrapping van de boetes voor laattijdige uitvoering.

Het is belangrijk in het achterhoofd te houden dat elk geval uniek is en dat COVID-19 niet alles verhindert, geen uitleg is voor alles en niet alles rechtvaardigt… zelfs al is het de oorzaak van veel problemen die we momenteel tegenkomen bij het plaatsen en de opvolging van de uitvoering van overheidsopdrachten.

Aanvaard dus niet blind om het even welk verzoek dat men tot u richt!  Verifieer dus eerst zorgvuldig de juistheid van de door de ondernemers ingeroepen elementen en controleer de timing van de gebeurtenissen (voor / na 18 maart 2020).  Bijvoorbeeld, als de opdrachtnemer reeds in vertraging was met de uitvoering van de opdracht voor 18 maart 2020 zal hij de verantwoordelijkheid niet van zich af kunnen schuiven door alles op COVID-19 te steken.

Het is eveneens de gelegenheid om u erop te wijzen dat u de mogelijkheid heeft om FreeMarket te gebruiken voor de plaatsing van uw overheidsopdrachten van beperkte waarde en deze via onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking.  Als u dit niet bij het begin voorzien heeft en de uitnodigingen tot het indienen van een offerte reeds verstuurd werden, maar de indieningstermijn van de offertes nog niet verstreken is, overweeg dan een verlenging van die termijn met een aanpassing van de indieningswijze van de offertes (gebruik van FreeMarket (beperkt dossier- formulier F53) en e-Tendering zie : https://www.publicprocurement.be/sites/default/files/documents/man_enot_aankoper_nl_0.pdf vanaf pagina 70.)

Als u binnenkort nieuwe overheidsopdrachten wil lanceren, stel u dan eerst de volgende vragen:

  • Is dit dringend?  Als dit dringend is wegens een termijn opgelegd door de subsidiërende overheid, is deze laatste dan bereid een bijkomende termijn toe te kennen?
  • Zullen er voldoende ondernemers actief zijn om een offerte in te dienen?
  • Zal er iemand zijn om mijn eventuele verzoeken tot prijsrechtvaardiging en vragen om bijkomende informatie te ontvangen en te behandelen?
  • Als ik de opdracht nu gun, zal de gekozen opdrachtnemer dan in staat zijn om aan zijn verplichtingen na te komen en om de opdracht binnen de opgelegde termijn af te werken?  Zal hij kunnen beschikken over zijn gebruikelijke leveranciers en dienstverleners om zijn verbintenissen te respecteren? Zullen de producten en/of materialen die hij nodig heeft voor de uitvoering van de opdracht beschikbaar zijn, en desgevallend, binnen welke termijn?

 

  • 22 april 2020 - Beheer van de COVID-19-crisis : gevolgen voor de overheidsopdrachten. Aanbevelingen van de Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest voor de Brusselse aanbestedende overheden

Op 9 april 2020 heeft de Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest een aantal aanbevelingen goedgekeurd betreffende de gevolgen van de naar aanleiding van COVID-19 genomen gezondheidsmaatregelen voor de overheidsopdrachten die door de Brusselse aanbestedende overheden al geplaatst zijn of nog geplaatst moeten worden.

De nota die deze aanbevelingen opneemt is als volgt gestructureerd:

  • Algemene doelstellingen
  • Impact op de overheidsopdrachten
    • In de fase van de plaatsing
    • In de uitvoeringsfase
      • De gezondheidscrisis heeft geen impact op de uitvoering van de opdracht

      • De gezondheidscrisis heeft een kleine impact, maar het is wel nodig om de termijnen aan te passen en een regeling te treffen in verband met de boetes en straffen

        • De aanpassing van de termijnen

          • Hetzij op initiatief van de aanbestedende overheid
          • Hetzij op initiatief van de opdrachtnemer
        • Vertragingsboetes en andere straffen
      • De gezondheidscrisis heeft een grote weerslag die een opschorting van de opdracht verantwoordt

        •  Hetzij op initiatief van de aanbestedende overheid
          • Uw bestek bevat een herzieningsclausule op grond van artikel 38/12, §2 AUR
          • Uw bestek bevat geen herzieningsclausule die het mogelijk maakt de opdracht op te schorten
        • Hetzij op initiatief van de opdrachtnemer
      • De omvang van de gezondheidscrisis heeft een doorslaggevend belang, wat de verbreking van de opdracht verantwoordt

  • Impact op de sociale clausules

  • Betaling van overheidsopdrachten

  • Conclusie en algemene aanbeveling

 


  • 8 avril 2020 - Beheer van de COVID-19-crisis : Richtsnoeren van de Europese Commissie betreffende het gebruik van het kader voor overheidsopdrachten in de door de Covid‐19-crisis veroorzaakte noodsituatie (2020/C 108 I/01)

In het Publicatieblad van de Europese Unie van 1 april 2020 is een mededeling van de Europese Commissie verschenen waarin ze richtsnoeren geeft betreffende het gebruik van het kader voor overheidsopdrachten in de door de Covid‐19-crisis veroorzaakte noodsituatie.

Deze mededeling is als volgt gestructureerd:

  1. Inleiding — Opties en flexibiliteit in het EU-kader voor overheidsopdrachten
  2. Keuze van de procedures en termijnen op grond van het EU-kader voor overheidsopdrachten — met name in spoedeisende en uiterst spoedeisende gevallen
    1. Keuze van de procedures in het algemeen
    2. In spoedeisende gevallen — verkorte termijnen
    3. In uiterst spoedeisende gevallen — onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking
      1. “Gebeurtenissen die door de desbetreffende aanbestedende diensten niet konden worden voorzien”
      2. Dwingende spoed die het in acht nemen van de algemene termijnen onmogelijk maakt
      3. Oorzakelijk verband tussen de onvoorziene gebeurtenis en de dwingende spoed
      4. Slechts gebruikt om de periode te overbruggen tot er stabielere oplossingen kunnen worden gevonden

U wordt aangeraden om er kennis van te nemen alvorens het gebruik van de onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking op basis van het artikel 42, § 1er, 1ste lid, b), van de wet van 17 juni 2016 inzake overheidsopdrachten te overwegen.

20 december 2021 - Aanpassing van de Europese bekendmakingsdrempels vanaf 1 januari 2022

De waarde van de Europese bekendmakingsdrempels is vastgesteld in de Overeenkomst inzake overheidsopdrachten (GPA) van de Wereldhandelsorganisatie (WHO). De waarden worden om de twee jaar aangepast op grond van de evolutie van de wisselkoers tussen de euro en de speciale trekkingsrechten (SDR's) berekend op basis van een mandje valuta (euro, US dollar, Britse pond, yen en yuan).

In dit verband werden vier gedelegeerde verordeningen van de Europese Commissie tot vaststelling van de Europese bekendmakingsdrempels die vanaf 1 januari 2022 van toepassing zullen zijn op overheidsopdrachten en concessieovereenkomsten gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie van 11 november 2021.

Na een daling van ongeveer 3,5 % op 1 januari 2020, vertonen de voorgestelde drempels terug een stijgende lijn.

Wat de Brusselse plaatselijke overheden betreft, zullen vanaf 1 januari 2022 de volgende bedragen van toepassing zijn:

  • 5 382 000 euro excl. btw voor de overheidsopdrachten voor werken (klassieke sectoren, speciale sectoren en de domeinen defensie en veiligheid) en de concessieovereenkomsten (tegenover 5 350 000 euro excl. btw nu);
  • 215 000 euro excl. btw voor de overheidsopdrachten voor leveringen en diensten (klassieke sectoren), met uitzondering van de overheidsopdrachten voor diensten bedoeld in artikel 88 van de wet van 17 juni 2016 betreffende de overheidsopdrachten (tegenover 214 000 euro excl. btw nu);
  • 431 000 euro excl. btw voor de overheidsopdrachten voor leveringen en diensten (speciale sectoren en de domeinen defensie en veiligheid), met uitzondering van de overheidsopdrachten voor diensten bedoeld in artikel 158 van de wet van 17 juni 2016 betreffende de overheidsopdrachten (tegenover 428 000 euro excl. btw nu).

De wijziging van de Europese bekendmakingsdrempels heeft ook gevolgen voor de toepassing van andere regels. Bijvoorbeeld:

  • de drempel waarboven verplicht overwogen moet worden om de opdracht op te splitsen in percelen met toepassing van artikel 58, § 1, tweede lid van voornoemde wet van 17 juni 2016 stijgt van 139 000 naar 140 000 euro;
  • de drempels waaronder gebruik mag worden gemaakt van de onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking, op basis van artikel 42, § 1, eerste lid, 1°, a), van voornoemde wet van 17 juni 2016, vastgelegd door verwijzing naar artikel 90, 1° en 2° van het koninklijk besluit plaatsing overheidsopdrachten in de klassieke sectoren van 18 april 2017, stijgen van 139 000 euro excl. btw naar 140 000 euro excl. btw en van 214 000 euro excl. btw naar 215 000 euro excl. btw.

Deze nieuwe drempels zullen van toepassing zijn voor de overheidsopdrachten en concessieovereenkomsten die vanaf 1 januari 2022 worden bekendgemaakt of hadden moeten worden bekendgemaakt, alsook voor de overheidsopdrachten en concessieovereenkomsten waarvoor, bij ontstentenis van een verplichting tot voorafgaande bekendmaking, vanaf die datum wordt uitgenodigd tot het indienen van een offerte. Voor een overheidsopdracht of concessieovereenkomst waarvan de geraamde waarde gelijk is aan of hoger is dan de drempels voor de Europese bekendmaking, is de datum van bekendmaking die in aanmerking moet worden genomen de datum van bekendmaking in het Bulletin der Aanbestedingen.

Tot slot worden bepaalde drempels die vastgesteld zijn door de wetgeving inzake overheidsopdrachten om de regels te bepalen waaraan overheidsopdrachten moeten voldoen, niet gewijzigd. Zo blijven voor de klassieke sectoren de volgende drempels behouden:

  • de drempel van 750 000 euro excl. btw, vastgelegd in artikel 41, § 1, 2° van de wet van 17 juni 2016, waaronder overheidsopdrachten voor werken geplaatst mogen worden via een vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met voorafgaande bekendmaking;
  • de drempel van 750 000 euro excl. btw, vastgelegd in artikel 89, § 1, 2° van de wet van 17 juni 2016, dat bepaalt dat voor overheidsopdrachten m.b.t. sociale diensten, of andere specifieke diensten opgesomd in bijlage III bij deze wet, een beroep mag worden gedaan op de onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking;
  • de drempel van 30 000 euro excl. btw, vastgelegd in artikel 92 van de wet van 17 juni 2016, die geldt voor overheidsopdrachten van beperkte waarde.

 

Bronnen

- Gedelegeerde verordening (EU) 2021/1950 van de Commissie van 10 november 2021 tot wijziging van Richtlijn 2009/81/EG van het Europees Parlement en de Raad wat de drempels betreft voor opdrachten voor leveringen, diensten en werken
- Gedelegeerde verordening (EU) 2021/1951 van de Commissie van 10 november 2021 tot wijziging van Richtlijn 2014/23/EU van het Europees Parlement en de Raad wat de drempels voor concessies betreft
- Gedelegeerde verordening (EU) 2021/1952 van de Commissie van 10 november 2021 tot wijziging van Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad wat de drempels betreft voor overheidsopdrachten voor leveringen, diensten en werken, en prijsvragen
- Gedelegeerde verordening (EU) 2021/1953 van de Commissie van 10 november 2021 tot wijziging van Richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad wat de drempels betreft voor opdrachten voor leveringen, diensten en werken, en prijsvragen

20 december 2021 - Raamovereenkomsten Recente rechtspraak van het Hof van Justitie – Advies van de Commissie voor de overheidsopdrachten

Na de arresten van het Hof van Justitie van 19 december 2018 (Vallecamonica, C-216/17) en van 17 juni 2021 (Simonsen & Weel A/S, C-23/20), heeft de Commissie voor de overheidsopdrachten een advies uitgebracht waarvan kennis kan genomen worden via deze link: advies van de Commissie voor de overheidsopdrachten.

10 augustus 2020 - Bevoegdheidsregels inzake gemeentelijke overheidsopdrachten: bijsturing en toelichtingen

Donderdag 30 juli 2020 werd de ordonnantie van 17 juli 2020 tot wijziging van de Nieuwe Gemeentewet in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd. Deze ordonnantie heeft een provocerende titel en beoogt de wijziging van tal van artikelen van de Nieuwe Gemeentewet "om een aantal verbeteringen aan te brengen in verschillende domeinen van het gemeenterecht".

Wat betreft de overheidsopdrachten en de gemeentelijke concessieovereenkomsten, en in het bijzonder de bevoegdheidsregels voor de gunning en de opvolging van de uitvoering ervan, herziet de voornoemde ordonnantie de artikelen 109, 234 en 236 van de Nieuwe Gemeentewet. 

Het merendeel van deze wijzigingen zijn technische en redactionele aanpassingen die de leesbaarheid van de tekst en de afstemming ervan op de huidige realiteit verbeteren, terwijl een aantal andere wijzigingen echter verre van anekdotisch zijn, met name door de mogelijkheid van de raad in te perken om zijn bevoegdheid aan het college te delegeren voor uitsluitend de overheidsopdrachten beoogd in artikel 92 van de wet van 17 juni 2016 inzake overheidsopdrachten, ongeacht of het nu gaat om uitgaven die onder de gewone begroting vallen (artikel 234, § 4) of om opdrachten die gebaseerd zijn op een gesloten raamovereenkomst (artikel 234, § 5).

In toepassing van artikel 33 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen, is deze ordonnantie in werking getreden op de tiende dag volgend op de publicatie ervan in het Belgisch Staatsblad, hetzij dus 9 augustus 2020.

Meer lezen

8 juni 2020 - Toezicht op OCMW: aanpassing van de drempel voor de verplichte toezending van akten op het gebied van overheidsopdrachten

In het Belgisch Staatsblad van 27 mei 2020 werd het besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 7 mei 2020 tot wijziging van artikel 110, § 1, 9°, van de organieke wet 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn gepubliceerd.

Dit besluit vervangt het bedrag van 144.000 euro, vastgesteld in artikel 110, § 1, 9°, van de organieke wet 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, door het bedrag van 139.000 euro om de, door de ordonnantiegever gewilde, nauwe band te behouden tussen de hypothese van het gebruik van de onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking als bedoeld in artikel 42, § 1, 1°, a), van de wet van 17 juni 2016 inzake overheidsopdrachten en de beperking van de verplichting om de akten met betrekking tot overheidsopdrachten, in extenso naar het Verenigd College en het college van burgemeester en schepenen toe te zenden d.w.z. voor de akten betreffende de volgende onderwerpen: de keuze van de plaatsingsprocedure en de vaststelling van de voorwaarden van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten,  alsook de selectie van de inschrijvers, kandidaten of deelnemers en de gunning van deze overheidsopdrachten.

Het Verenigd College maakt zo gebruik van de mogelijkheid voorzien in genoemd artikel 110, § 1, 9°, om het bedrag in ditzelfde artikel te wijzigen ingevolge een herziening van de bedragen die in toepassing van artikel 42, § 1, 1°, a), van de wet van 17 juni 2016 inzake overheidsopdrachten zijn vastgesteld (zie in dit verband ook het MB van 20 december 2019).

In toepassing van het artikel 39, derde lid, van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen, dat krachtens artikel 70bis van diezelfde wet ook geldt voor de verordeningen van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, treedt dit besluit in werking op de tiende dag na de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad, d.w.z. op 6 juni 2020.

15 mei 2020 - Artikel 234, § 3, eerste lid, van de NGW : aanpassing van het bedrag

Het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 7 mei 2020 wijzigende het artikel 234, paragraaf 3, eerste lid, van de Nieuwe gemeentewet, is vandaag 15 mei 2020, in het Belgisch Staatsblad, verschenen.

Dit besluit vervangt het bedrag van 144.000 euro, vastgesteld in art. 234, §3, eerste lid, van de Nieuwe Gemeentewet, door het bedrag van 139.000 euro om de, door de ordonnantiegever gewilde, nauwe band te behouden tussen het gebruik van de onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking als bedoeld in artikel 42, § 1, 1°, a), van de wet van 17 juni 2016 inzake overheidsopdrachten en de machtiging aan het college van burgemeester en schepenen om de plaatsingsprocedure bij overheidsopdrachten lager dan een zeker bedrag te kiezen en er de voorwaarden van vast te stellen in toepassing van artikel 234, §3, eerste lid, van de Nieuwe gemeentewet.

De Regering maakt zo gebruik van de mogelijkheid voorzien in het tweede lid van art. 234, § 3, van de Nieuwe Gemeentewet, om het bedrag in het eerste lid van ditzelfde artikel te wijzigen ingevolge een herziening van de bedragen die in toepassing van artikel 42, § 1, 1°, a), van de wet van 17 juni 2016 inzake overheidsopdrachten zijn vastgesteld (zie in dit verband ook het KB van 20 december 2019) .

In toepassing van het artikel 39, derde lid, van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen , treedt dit besluit in werking op de tiende dag na de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad, d.w.z. op 25 mei 2020.

6 april 2020 - Artikel 27, § 1ter, 5°, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn : vaststelling van de drempel

In het Belgisch Staatsblad van 3 april 2020 is het Besluit van het verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofdstedelijk gewest van 5 maart 2020 tot vaststelling van het bedrag bedoeld in artikel 27, § 1ter, 5°, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn verschenen.

Het artikel 1 van dit besluit de bevoegdheidsdelegaties van de raad voor maatschappelijk welzijn aan het vast bureau of aan de bijzondere comités toelaat voor de opdrachten waarvan het geraamd bedrag exclusief BTW lager is dan 139.000 EUR.

Dit besluit zal in werking treden de 10de dag na de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.

30 september 2019 - Mededeling van de Europese Commissie van 24 juli 2019 over richtsnoeren voor de deelname van inschrijvers uit derde landen aan Europese aanbestedingen

Op 24 juli 2019 heeft de Europese Commissie een mededeling gepubliceerd over de richtsnoeren voor de deelname van inschrijvers uit derde landen aan de Europese aanbestedingsmarkt (https://ec.europa.eu/docsroom/documents/36601). 

Deze toelichtingen zijn bedoeld voor professionals en overheidsafnemers en hebben betrekking op:

    • de wijze waarop de inschrijvers en goederen uit derde landen toegang kunnen krijgen tot de aanbestedingsmarkt van de EU (zowel op het vlak van het rechtskader als in concrete termen), 
    • abnormaal lage offertes (hoe opsporen en wat ermee doen),
    • de kwaliteitsnormen.
    18 augustus 2014 - Ordonnantie van 3 april 2014 houdende oprichting van een Observatorium van de referentieprijzen voor de overheidsopdrachten binnen de Economische en Sociale Raad van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

    In werking getreden op 24 mei 2014, enkel voor de « gewestelijke overheidsopdrachten » die, op deze datum, nog niet het voorwerp hebben uitgemaakt van maatregelen van bekendmaking, stelt deze ordonnantie binnen de Economische en Sociale Raad van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest een Observatorium van de referentieprijzen voor de overheidsopdrachten in wat betreft de overheidsopdrachten binnen het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
    De rol van het observatorium bestaat er in hulp te bieden bij het nemen van administratieve beslissingen aangaande overheidsopdrachten van werken en diensten (klassieke sectoren) ten voordele van de bedoelde aanbestedende overheden van lokale of regionale overheidsopdrachten. Om dit mogelijk te maken, moeten de betrokken overheden, spontaan of op vraag van het Observatorium de noodzakelijke inlichtingen, die het toelaten zijn voorziene missie uit te voeren, doorzenden aan het Observatorium.

    Over welke aanbestedende overheden gaat het ?
    Het betreft :

    •  enerzijds, de regionale overheidsopdrachten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest of van één van zijn instellingen van publiek recht ( opgericht door het Gewest om te voldoen aan de noden van algemeen belang;
    • anderzijds, de lokale overheidsopdrachten van een lokale administratie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, namelijk een gemeente, een autonome gemeenteregie, een intercommunale of een meergemeentelijke politiezone met uitzondering van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en instellingen van erediensten. De ordonnantie heeft derhalve de tekst aangevuld van het artikel 6 van de drie ordonnanties betreffende het administratief toezicht op de gemeenten, de intercommunales en de meergemeentelijke politiezones van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

    De opdrachten van het Observatorium, vier in het totaal, zijn de volgende:

    • op verzoek, vrijwillig of verplicht, van de aanbestedende overheid van een gewestelijke of lokale overheidsopdracht of van de Gewestregering in het kader van de uitoefening van het toezicht op de lokale besturen, een advies formuleren betreffende de voorgestelde prijzen in het kader van een overheidsopdracht;
    • algemene adviezen voorbereiden betreffende de opname in de documenten van de opdracht van werken of diensten van technische clausules, inzonderheid sociale en milieubepalingen, om zo, in het licht van de Europese en federale wetgeving inzake eerlijke en transparante mededinging, een conforme toewijzing en uitvoering van de overheidsopdrachten binnen het Brussels Hoofdstedelijk Gewest te bevorderen. Deze adviezen worden voorbereid gelet op de motieven vastgesteld door het Observatorium die ten grondslag liggen aan de abnormale prijsbieding;
    • een toezicht verzekeren op de prijzen voortkomende uit oneerlijke of frauduleuze handelspraktijken in het licht van de mededinging tussen inschrijvers op gewestelijke en lokale overheidsopdrachten en dit samengaande met de ontwikkeling van een gegevensbank met een overzicht van de vastgestelde prijzen in het kader van de uitvoering van zijn opdracht;
    • sensibiliser en verspreiden van de kennis over prijzen en optreden als tussenschakel tussen de aanbestedende overheden en de representatieve organisaties van de privésectoren vanuit het streven naar een eerlijke mededinging tussen de inschrijvers en een conforme uitvoering van de overheidsbestellingen.

    Het artikel 2, 5°, van de ordonnantie definieert de « abnormale prijzen » als prijzen:

    • die, in de zin van de artikels 21 en 99 van het Koninklijk Besluit van 15 juli 2011 betreffende de plaatsing van overheidsopdrachten in de klassieke sectoren, de aanbestedende overheid abnormaal laag lijken in verhouding tot de uit te voeren prestaties of werken, of
    • welke de aanbestedende overheid abnormaal laag lijken of had moeten beschouwen als abnormaal laag zijnde.

    De ordonnantie preciseert de toestanden waarin de aanvraag tot een advies van het Observatorium facultatief of verplicht is. Er dient rekening mee gehouden te worden dat de aanvraag verplicht is in de volgende gevallen :

    • voor de hieronder opgesomde gewestelijke overheidsopdrachten : vraag van de aanbestedende overheid van de gewestelijke overheidsopdracht, voor de gunning ter kennis te brengen, wanneer de vergaarde nodige verantwoordingen niet volstaan om het abnormale karakter van de prijzen te verklaren:
      o    dienstenopdrachten waarvan de raming de 85.000€ (zonder BTW) overschrijdt en opdrachten van werken waarvan de raming de 275.000€ (zonder BTW) overschrijdt. In dit geval betreft de vraag tot advies de abnormale prijzen die voorkomen in één of meerder offertes neergelegd in het kader van de opdracht;
      o    overheidsopdrachten overeenstemmende met de classificatie uit de gemeenschappelijke woordenlijst voor overheidsopdrachten (CPV codes) welke voorkomen op de lijst van overheidsbestellingen waarvoor een groot risico bestaat op oneerlijke concurrentiepraktijken. (lijst moet nog bepaald worden door de Regering op voorstel van de Economische en Sociale Raad). In dit geval betreft de vraag tot advies het geheel van de prijzen die uit de neergelegde offertes naar voor komen;
    • voor de lokale overheidsopdrachten, met een onderscheid tussen de hoedanigheid van de opsteller van het verzoek tot advies:
      • vraag van de Regering betreffende een gunningsbeslissing waarmee zij belast werd in het kader van de uitoefening van het toezicht op de lokale overheidsopdrachten :
        • betreffende abnormale prijzen blijkende uit één of meerdere offertes neergelegd in het kader van deze opdracht;
        • op het geheel van de prijzen blijkende uit de neergelegde offertes wanneer de overheidsopdrachten overeenstemmen met de classificatie uit de gemeenschappelijke woordenlijst voor overheidsopdrachten (CPV codes) welke voorkomen op de lijst van overheidsbestellingen waarvoor een groot risico bestaat op oneerlijke concurrentiepraktijken. (lijst moet nog bepaald worden door de Regering op voorstel van de Economische en Sociale Raad);
      • vraag van de aanbestedende overheid van de lokale overheidsopdracht voor de gunning ter kennis te brengen en na de nodige verantwoordingen verzameld te hebben overeenkomstig de artikels 19 en 21 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011, indien het gaat over overheidsopdrachten overeenstemmende met de classificatie uit de gemeenschappelijke woordenlijst voor overheidsopdrachten (CPV codes) welke voorkomen op de lijst van overheidsbestellingen waarvoor een groot risico bestaat op oneerlijke concurrentiepraktijken. (lijst moet nog bepaald worden door de Regering). In dit geval betreft de vraag tot advies het geheel van de prijzen die uit de neergelegde offertes naar voor komen.

     

    De AO die verzoekt om een advies van het Observatorium moet het geheel van de stukken bezorgen die nuttige zijn met het oog op de voorbereiding van het advies van het Observatorium bijvoegen en meer bepaald:

    • de uittreksels van de documenten van de opdracht en de technische clausules waardoor de producten, diensten en uitvoeringen met een abnormale prijs omschreven worden;
    • de prijslijsten, meetstaten en verslagen van de projectontwerpen;
    • het geheel van de bij de inschrijver verkregen verantwoordingen met betrekking tot de prijzen en de samenstelling ervan. (op basis van artikel 21,- § 3, van het KB van 15 juli 2011).

    Door beroep te doen op het Observatorium wordt de aanbestedende overheid verondersteld aan het Observatorium een opdracht van verificatie toe te vertrouwen zoals voorzien door de bepalingen van het artikel 21,- § 2, van het koninklijk besluit van 15 juli 2011 betreffende de plaatsing van overheidsopdrachten in de klassieke sectoren.
    Het Observatorium houdt zich aan het recht op het zakengeheim en mag deze gegevens niet gebruiken voor andere doeleinden dan deze die ressorteren onder de uitoefening van de opdrachten die het krachtens deze ordonnantie toegewezen heeft gekregen.
    De adviezen en aanbevelingen van het Observatorium worden vertrouwelijk bezorgd aan de aanbestedende overheden die hierom gevraagd hebben binnen een termijn door de ordonnantie bepaald (behalve uitzondering) en eenmaal verlengbaar is. Bij niet naleving van de voorziene termijnen wordt het advies geacht verkregen te zijn. In elk geval zijn de adviezen niet bindend.
    Zolang de aanbestedende overheid geen beslissing genomen heeft over de gunning van de opdracht die zij ter advies heeft voorgelegd, is het Observatorium verplicht de stukken die er in het kader van de procedure aan bezorgd zijn vertrouwelijk te behandelen.
    Desgevallend worden de adviezen gepubliceerd of bekendgemaakt aan het publiek, onder meer door het jaarlijks activiteitenrapport aan de Regering gericht (en dat zal doorgezonden worden aan het Parlement), op een anonieme wijze en met inachtneming van de bepalingen inzake beroepsgeheim.

    Besluiten van de Regering worden verwacht om de opdrachten van het Observatorium, vastgelegd door de ordonnantie, (bijvoorbeeld voor het bepalen van de algemene voorwaarden en algemene proceduretermijnen die van toepassing zijn op de vragen uitgaande van de aanbestedende overheid van een lokale opdracht) verder te bepalen en vast te leggen.
    Het Observatorium bezorgt elk jaar een activiteitenrapport aan de Regering, die het binnen de 60 dagen na ontvangst doorstuurt naar het Brussels Parlement.
    Het Observatorium kan samenwerken met gelijkaardige organisaties in België, in andere landen en op het niveau van de Europese Gemeenschap.

    11 augustus 2014 - Ordonnantie betreffende de invoeging van sociale clausules in de overheidsopdrachten van de Brussels aanbestedende overheden

    Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is sinds lange tijd overtuigd van gegrondheid van de opname sociale clausules in de overheidsopdrachten. Hiertoe heeft het Gewest veelvoudige initiatieven genomen met het oog op het aanmoedigen van sociale beschouwingen in de Brussels overheidsopdrachten.

    De huidige ordonnantie heeft als doel om de praktijken aangaande publieke aankopen die uit deze initiatieven gegroeid zijn samen te vatten, eenvormig te maken, te ontwikkelen en standvastig te maken. Daartoe laat deze ordonnantie de in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest aanwezige aanbestedende overheden toe in hun overheidsopdrachten sociale clausules op te nemen, die dan de vorm kunnen aannemen van selectiecriteria, gunningscriteria of uitvoeringsvoorwaarden. Daarenboven staat deze ordonnantie aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, indien zij optreedt als subsidiërende overheid, het recht toe om zulke clausules te verplichten als voorwaarde voor het toekennen van de subsidie of voorwaarde voor uitvoering van de subsidie.

    Welke clausules ?

    De ordonnantie definieert de sociale clausules als « bepaling met doelstelling de opleiding of socioprofessionele inschakeling van werkzoekenden die laaggeschoold, jonger dan 30 of ouder dan 50 zijn, leerlingen, stagiairs of cursisten ». Deze clausules zijn opgenomen in de bestekken van de betrokken overheidsopdrachten en mogen, naar de keuze van de inschrijver, de vorm aannemen van een:

    1. inschakelingsclausule die een percentage bepaalt van de bij Actiris ingeschreven werkzoekenden;
    2. sociale clausule die het mogelijk maakt om de overheidsopdracht geheel of gedeeltelijk uit te besteden aan een sociale inschakelingsonderneming;
    3. sociale opleidingsclausule die de opdrachtnemers ertoe verplicht te zorgen voor opleiding voor de bij Actiris ingeschreven werkzoekenden. (sociale clausule « jongerenclausule », « peterschapclausule », « bedrijfsstage », enz.);
    4. sociale clausule betreffende het voorbehouden van de opdracht, overeenkomstig de wetgeving op de overheidsopdrachten.

    Op welke opdrachten zijn de sociale clausules van toepassing  ?

    De ordonnantie is van toepassing op de opdrachten van werken, leveringen en diensten die aan volgende cumulatieve voorwaarden voldoen:

    • opdracht van werken, leveringen, of diensten behorende tot de categorie A1 (Onderhouds- en herstellingsdiensten), A2 (Vervoer te land), A.14 (Diensten voor het schoonmaken van gebouwen en het beheer van onroerende goederen), A.15 (Uitgeverij- en drukkerijdiensten), A.16 (Riolering en vuilophaaldiensten, afvalverwerking en aanverwante diensten) of B zoals bedoeld door de bijlage 2 van de wet van 15 juni 2006;
    • het geraamde bedrag van 125.000 € (zonder BTW) voor de werken en diensten en 22.000€ (zonder BTW) voor de leveringen overschrijden; 
    • een minimumduur hebben van 10 werkdagen enkel voor opdrachten van werken of diensten.

    Nochtans, kan de sociale inschakelingsclausule  de « Actirisclausule » maar opgelegd worden aan de inschrijvers voor opdrachten van werken of diensten waarvan het bedrag (zonder BTW) hoger is dan 500.000€.

    Wie belangt dit aan ?

    Gelet op de juridische bezorgdheid komt de definitie van « aanbestedende overheid », in de ordonnantie hernomen, sterk overeen met deze die voorkomt in het artikel 2,1°, van de wet van 15 juni 2006 betreffende overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten.

    Op Brussels niveau kunnen twee categorieën van aanbestedende overheden onderscheiden worden. Enerzijds, het Gewest zelf en de “geconsolideerde” instellingen en anderzijds, de overheden en organismen die een grote mate van autonomie bezitten tegenover het Gewest, namelijk de gemeenten, de intercommunales en de andere rechtspersonen zoals bedoeld onder punt c van het artikel 2, 2° van de ordonnantie, namelijk “ de personen, ongeacht hun vorm en aard…..die op de datum van het uitschrijven van de opdracht

    • “opgericht zijn om specifiek te voldoen aan behoeften van algemeen belang die niet van commerciële of industriële aard zijn;
    • rechtspersoonlijkheid hebben en waarvan hetzij de activiteit in hoofdzaak wordt gefinancierd door het Gewest inbegrepen de “geconsolideerde” instellingen of de Brusselse gemeenten, hetzij de leden van het bestuursorgaan, het leidinggevend orgaan of het toezichthoudend orgaan voor meer dan de helft door die overheden of instellingen zijn aangewezen ».

    Wat betreft de Brusselse openbare besturen, is de ordonnantie ondubbelzinnig van toepassing op de gemeenten en de intercommunales voor al hun overheidsopdrachten die de drie bovenvermelde voorwaarden verenigen. Voor de overheidsopdrachten van de andere lokale overheden die onder de definitie van punt c van het artikel 2, 2° van de ordonnantie vallen, is deze enkel van toepassing wanneer hun overheidsopdracht voor minstens 10% gesubsidieerd is ofwel rechtstreeks door het Gewest, ofwel door Beliris.

    Middelen

    De ordonnantie voorziet verschillende middelen en mogelijkheden om de Brusselse aanbestedende overheden bij te staan om de huidige ordonnantie toe te passen en om bepaalde doelstellingen in verband met de sociale clausules voorop te stellen.

    Alzo moet in de schoot van elke aanbestedende overheid een « resource person » aangeduid worden. Deze persoon heeft de opdracht te waken over de goede uitvoering van de huidige ordonnantie. Hij dient samen te werken met de verschillende personen of diensten die, in de schoot van de Brusselse aanbestedende overheden, overheidsopdrachten plaatsen, de bekomen inlichtingen verkregen bij deze personen of diensten te centraliseren en een boordtabel bij te houden.

    Vervolgens, en dit vanaf 1 januari 2015, dient elke aanbestedende overheid een boordtabel bij te houden die al de overheidsopdrachten die door deze overheid werden afgehandeld in de loop van het jaar en de aan de gang zijnde overheidsopdrachten moet bevatten. Deze tabel preciseert de aanwezigheid van sociale clausules in de documenten van de opdracht, de status van deze clausules en de verantwoording ervan.
    De boordtabel moet de Brusselse aanbestedende overheden toelaten zelf na te gaan in welke mate de aanbestedinghouders van hun overheidsopdrachten hun verbintenissen zijn nagekomen rekening houdende met de sociale bepalingen ingeschreven in de documenten van deze opdrachten.

    Het komt aan de Brusselse regering toe te waken over de organisatie van de vorming van de «rersource-persons», om een model van boordtabellen vast te stellen en de regels voor publicatie van deze tabellen vast te stellen.

    Daarenboven vertrouwt de ordonnantie aan Actiris de taak toe tot het in praktijk brengen van een bepaald aantal doelstellingen die in haar artikel 14 vermeld zijn.

    Sancties

    De Brusselse aanbestedende overheid die zijn verplichtingen inzake de sociale clausules niet naleeft, zal van geen latere gunning van gewestelijke subsidies in het kader van een nieuw project waarvoor een overheidsopdracht moet worden uitgeschreven kunnen genieten dan op voorwaarde dat de vastgestelde tekortkoming binnen een gegeven termijn wordt rechtgezet. In dat geval kan de verwezenlijking van die overheidsopdracht begeleiding krijgen van de bevoegde dienst.

    Ook wat betreft de overheidsopdrachten van de gemeenten, kan de beslissing tot een begeleiding genomen worden in afwezigheid van een specifieke subsidie voor de betrokken overheidsopdracht.

    11 augustus 2014 - Ordonnantie betreffende de opname van milieu- en ethische clausules in de overheidsopdrachten.

    Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest heeft zichzelf nooit beperkingen opgelegd bij het aanmoedigen van de opneming van milieu- en ethische clausules in de overheidsopdrachten.

    De huidige ordonnantie heeft als doel om de praktijken aangaande publieke aankopen die uit deze initiatieven gegroeid zijn samen te vatten, eenvormig te maken, te ontwikkelen en standvastig te maken.
    Daartoe laat deze ordonnantie de in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest aanwezige aanbestedende overheden toe in hun overheidsopdrachten clausules “levenscycluskost”, milieu en ethiek op te nemen in hun bestekken van hun overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten waarvan het bedrag de 30.000€ (zonder BTW) overschrijdt. Daarenboven staat deze ordonnantie aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, indien zij optreedt als subsidiërende overheid, het recht toe om zulke clausules te verplichten als voorwaarde voor het toekennen van de subsidie of de uitvoeringsvoorwaarden van de subsidie.
    De ordonnantie laat zich eveneens leiden door het principe van de responsabilisering van de aanbestedende overheden. Alzo zullen deze een boordtabel dienen bij te houden van hun opdracht, met als eerste doel de beheersing van hun opdrachten te verbeteren, door hun een algemeen overzicht over hun eigen werkwijze en de effecten hiervan te bezorgen. In deze tabel zullen zij zelf overgaan tot een evaluatie van de milieuclausules die weerhouden werden (met een minimale gewestelijke controle).

    Wie belangt dit aan ?

    Gelet op de juridische bezorgdheid komt de definitie van « aanbestedende overheid », in de ordonnantie hernomen, sterk overeen met deze die voorkomt in het artikel 2,1°, van de wet van 15 juni 2006 betreffende overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten.

    Op Brussels niveau kunnen twee categorieën van aanbestedende overheden onderscheiden worden. Enerzijds, het Gewest zelf en de “geconsolideerde” instellingen en anderzijds, de overheden en organismen die een grote mate van autonomie bezitten tegenover het Gewest, namelijk de gemeenten, de intercommunales en de andere rechtspersonen zoals bedoeld onder punt c van het artikel 2, 2° van de ordonnantie, namelijk “ de personen, ongeacht hun vorm en aard…..die op de datum van het uitschrijven van de opdracht:

    • opgericht zijn om specifiek te voldoen aan behoeften van algemeen belang die niet van commerciële of industriële aard zijn;
    • rechtspersoonlijkheid hebben en waarvan hetzij de activiteit in hoofdzaak wordt gefinancierd door het Gewest inbegrepen de “geconsolideerde” instellingen of de Brusselse gemeenten, hetzij het beheer onderworpen is aan deze overheden of de leden van het bestuursorgaan, het leidinggevend orgaan of het toezichthoudend orgaan voor meer dan de helft door die overheden of instellingen zijn aangewezen.

    Wat betreft de Brusselse openbare besturen, is de ordonnantie ondubbelzinnig van toepassing op de gemeenten en de intercommunales voor al hun overheidsopdrachten van werken, leveringen en diensten waarvan het bedrag de 30.000€ (zonder BTW) overschrijdt. Voor de overheidsopdrachten van de andere lokale overheden die onder de definitie van punt c van het artikel 2, 2° van de ordonnantie vallen, is deze enkel van toepassing wanneer hun overheidsopdracht voor minstens 10% gesubsidieerd is ofwel rechtstreeks door het Gewest, ofwel door Beliris.

    Welke clausules ?

    1. De ordonnantie definieert de milieuclausule als een « bepaling met als doelstelling het milieu te vrijwaren door optimalisatie van de milieu-impact van de uitvoering van de overheidsopdracht » en somt een tiental voorbeelden van mogelijke milieuclausules (artikel 6) op , zoals reductie emissies van broeikasgassen of andere vervuilende stoffen, reductie van energieverbruik en voorkeur voor hernieuwbare energiebronnen, integratie van gerecycleerde materialen of goederen in het kader van een kringloopeconomie. Het komt aan de Regering toe de milieuclausules te verdelen in 4 niveaus gaande van niveau « 0 » (not green) tot niveau 3 (best practices). Elke aanbestedende overheid moet er over waken dat minstens 20% van het totaal van hun overheidsopdrachten en minstens 20% van het totale financiële volume van de geplaatste  overheidsopdrachten een milieuclausule bevat van niveau 2 (medium green) of van niveau 3 (best practices).
    2. De clausules levenscycluskost: de clausules levenscycluskost maken een categorie uit van de milieuclausules die rekening houden –in zoverre ze relevant zijn – met het geheel of een deel van de levenscyclus van een product, een dienst of een bouwwerk. Deze clausules hebben betrekking op het anticiperen en het in acht nemen van de kosten die het “leven” van het voorwerp van de opdracht zal meebrengen. De beoogde doelstelling voor de specifieke levenscycluskost is meer beperkt dan de doelstelling voor de andere milieubepalingen : minstens 30% van het totaal aantal overheidsopdrachten en minstens 30% van het financiële volume van de overheidsopdrachten moeten een clausule van levenscycluskost bevatten.
    3. De ethische clausules: de ordonnantie definieert de ethische clausule als een «  bepaling met als doelstelling de grondrechten te respecteren van personen, inzake maatschappelijke billijkheid en in het bijzonder inzake eerlijke handel ». Zij is vooral gericht op de menselijke ontwikkeling, in de betekenis die dit begrip verkrijgt in het « United Nations Program for Development » (UNPD). Het gaat bijvoorbeeld over de clausule in verband met het beroep doen op producten voortkomende uit eerlijke handelspraktijken. Ook kunnen overwegingen betreffende de aard of ethiek van het beheer in het bestek opgenomen worden. Zoals voor de levenscycluskost is de beoogde doelstelling door de ordonnantie voor de ethische clausules vastgesteld op minstens 30% van het aantal overheidsopdrachten en minstens 30% van het financiële volume van de overheidsopdrachten die moeten onderworpen zijn aan een ethische clausule.

    Doelen en middelen

    De beoogde doelstellingen vastgesteld door de ordonnantie zijn van toepassing van 1 januari 2015 tot 31 december 2017.

    De Brusselse regering zal in opeenvolgende driejarige termijnen nieuwe beoogde doelstellingen bepalen. Deze doelstellingen mogen voor een bepaalde categorie van clausules niet lager liggen dan de doelstellingen overeenkomende met de voorgaande termijn.
    De ordonnantie voorziet verschillende middelen en mogelijkheden om de Brusselse aanbestedende overheden bij te staan om de huidige ordonnantie toe te passen en om de bepaalde doelstellingen te bereiken.

    Alzo moet in de schoot van elke aanbestedende overheid een « resource person » aangeduid worden. Deze persoon heeft de opdracht te waken over de goede uitvoering van de huidige ordonnantie. Vervolgens, en dit vanaf 1 januari 2015, dient elke aanbestedende overheid een boordtabel bij te houden die al de overheidsopdrachten die door deze overheid werden afgehandeld in de loop van het jaar en de aan de gang zijnde overheidsopdrachten moet bevatten. Deze tabel preciseert de aanwezigheid van bijzondere clausules in de documenten van de opdracht, de status van deze clausules en voor de milieuclausules hun niveau.

    De boordtabel moet de aanbestedende overheid toelaten zelf na te gaan of zij in gunstige zin evolueert om de beoogde doelstellingen in de 3 types van clausules te bereiken.

    Het komt aan de Brusselse regering toe te waken over de organisatie van de vorming van de «rersource-persons», om een model van boordtabellen vast te stellen en de regels voor publicatie van deze tabellen te bepalen.

    22 juli 2014 - Omzendbrief ter voorkoming of om te reageren op het faillissement van de aanbestedingshouder van een overheidsopdracht.

    De overheidsopdrachten van de Brusselse lokale besturen worden niet gespaard wat betreft de huidige toename van het aantal faillissementen van ondernemingen. In deze context en geconfronteerd met verschillende en complexe problemen, raken deze besturen dikwijls verloren in het doolhof van een netwerk van normen die op hen van toepassing zijn in zulke situaties en waarvan zijn niet altijd op de hoogte zijn of deze niet beheersen.
    Ter ondersteuning van de Brusselse lokale besturen en om hen op de best mogelijke manier bij te staan in het vrijwaren van hun belangen, werd het geheel van de maatregelen die deze plaatselijke besturen zouden kunnen nemen indien zij geconfronteerd worden met het faillissement van een inschrijver of een aanbestedingshouder van een door hen uitgeschreven overheidsopdracht op vraag van de Heer Minister-President gesynthetiseerd in een omzendbrief.
    De weerhouden benaderingswijze wordt geacht volledig en didactisch te zijn. Bij elke stap van de plaatsing in de brede zin van het woord (namelijk vanaf de aanvang van het opstellen van de documenten van de opdracht) en de uitvoering van een overheidsopdracht worden de regels verbonden aan het faillissement herhaald en uitgelegd, alsook de maatregelen die elke doortastende openbaar bestuur dient te nemen.
    Ten slotte wordt de aandacht van de plaatselijke besturen ook gevestigd op het lot van de onderaannemers van de gefailleerde. Het is inderdaad nodig hun rechten te respecteren en hun financiën veilig te stellen met de bedoeling niet bij te dragen aan het oorzakelijk verband van achtereenvolgende faillissementen.

    17 maart 2014 - Arrest van de Raad van State van 11 februari 2014: wijziging van het koninklijk besluit van 25 januari 2001 betreffende de tijdelijke of mobiele bouwplaatsen

    Het artikel 159 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011 betreffende de plaatsing van overheidsopdrachten in de klassieke sectoren heeft de volgende wijzigingen aangebracht aan de bepalingen van artikel 30 van het koninklijk besluit van 25 januari 2001 betreffende de tijdelijke of mobiele bouwplaatsen :

    • het derde lid wordt vervangen door de volgende bepaling :

    De opdrachtgevers van de tijdelijke of mobiele bouwplaatsen waarop de bepalingen van artikel 29 van toepassing zijn, zijn vrijgesteld van de toepassing van de voorgaande leden. ";

    • een vierde lid wordt ingevoegd, luidende :

    Onverminderd de toepassing van het vorige lid en wanneer de opdrachtgever een aanbestedende overheid is in de zin van artikel 2 van de wet overheidsopdrachten en bepaalde opdracht voor werken, leveringen en diensten van 15 juni 2006, is zij enkel verplicht om voor te schrijven dat de inschrijvers bij hun offerte het document en de afzonderlijke prijsberekening van het tweede lid, 1° en 2°, voegen, indien de coördinator-ontwerp aantoont dat dit document of deze prijsberekening noodzakelijk is opdat de maatregelen bepaald in het veiligheids- en gezondheidsplan daadwerkelijk kunnen worden toegepast, en voor zover hij de onderdelen verduidelijkt waarvoor dat document of die prijsberekening nodig is. ".

    Het voormelde punt heeft betrekking noch op de inhoud van de documenten van de opdracht noch op de verplichting of niet (al naargelang wat het bovenvermelde koninklijk besluit oplegt) om een algemeen veiligheids- en gezondheidsplan te voorzien. Het betreft een eventuele verplichting, ten laste van de inschrijvers, om hun offertes aan te vullen door bijzondere inlichtingen inzake de toepassing van het algemene veiligheids- en gezondheidsplan, indien de documenten van de opdracht zo een plan bevatten.

     

    De toepassing van deze punt is onlangs het voorwerp van een arrest van de Raad van State (arrest nr. 226.386 van 11 februari 2014, zaak A.211.281/XII-7551) geweest, waaruit namelijk blijkt:

    - dat het feit om het voorleggen van de documenten beoogd in artikel 30, 2de lid, 1° en 2°, van het voormelde koninklijk besluit van 25 januari 2001 voor te schrijven, in hoofde van de aanbestedende overheid of verplicht, of facultatief is, al naargelang dat de veiligheidscoördinator-ontwerp er het noodzakelijke karakter van – of niet – heeft aangetoond ;

    - dat, a contrario, het niet-geven van de expliciete rechtvaardiging door de veiligheidscoördinator-ontwerp de aanbestedende overheid niet wettelijk belet de inschrijvers te verplichten om de documenten beoogd in artikel 30, 2de lid, 1° en 2°, van het voormelde koninklijk besluit van 25 januari 2001 bij hun offertes te voegen.

     

    Kortom moet de aanbestedende overheid, wat betreft de vereiste m.b.t. het voorleggen of niet van deze documenten, voor de coherentie van het geheel van de documenten van de opdracht zorgen. Als zij kiest of, overeenkomstig het bovenvermelde beginsel, verplicht is om het voorleggen van deze documenten door de inschrijvers op te leggen, moet zij op het moment van de analyse van de offertes zich aan de regels houden die zij in de documenten van de opdracht heeft vastgelegd, in toepassing van het algemeen beginsel van transparantie herinnerd in artikel 5 van de wet van 15 juni 2006 betreffende overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten (« patere legem quam ipse fecisti »).

    24 juli 2014 - Nieuwe werken bestaande uit de herhaling van soortgelijke werken kunnen enkel aan de aanbestedingshouder van de oorspronkelijke opdracht gegund worden indien deze laatste beschikt over de vereiste erkenning

    Een eerste opdracht werd gegund door beslissing van het college van burgemeester en schepenen door een openbare aanbesteding (bij toepassing van de wet van 24 december 1993) voor een bedrag van +/- 200.000€ (BTW inbegrepen).

    In het bestek werd, in toepassing van de bepalingen van artikel 17.- § 2, 2°, b) van de wet van 24 december 1993, in de mogelijkheid voorzien voor de aanbestedende overheid over te gaan tot de gunning aan dezelfde aanbestedingshouder van soortgelijke werken binnen een periode van drie jaar na het gunnen van de oorspronkelijke opdracht.

    De opdracht bedoeld door deze herhaling betrof voor het grootste gedeelte dezelfde prestaties, maar de raming bedroeg ongeveer 700.000€ (BTW inbegrepen) om reden van een verhoging van de vermoedelijke hoeveelheden van bepaalde posten van de samenvattende meetstaat, die derhalve een erkenning in de klasse 4 vereist. Nochtans beschikte de aanbestedingshouder van de oorspronkelijke opdracht slechts over een erkenning in de klasse 3.

    Rekening houdende met het feit dat de herhaling van een soortgelijke opdracht een nieuw contract vormt tussen de gemeenten en de oorspronkelijke aanbestedingshouder, dienen alle voorwaarden verenigd te zijn vanaf het begin van deze nieuwe procedure.

    Enkel beschikkende over een erkenning in de klasse 3, rekening houdende met de raming van de opdracht, kon de oorspronkelijke aanbestedingshouder deze nieuwe opdracht niet gegund krijgen. Met andere woorden, wanneer een aanbestedende overheid besluit de bepalingen van artikel 17.- § 2, 2°, b) van de wet van 24 december 1993 – thans het artikel 26, § 1e,2e, b) van de wet van 15 juni 2006- toe te passen, dient gewaakt te worden over het feit dat deze nieuwe procedure beantwoordt aan de mogelijkheid van de oorspronkelijke aanbestedingshouder.

    De betrokken beraadslaging werd vernietigd door ministerieel besluit.

    7 juli 2014 - Een prijsherziening dient te steunen op objectieve en controleerbare parameters met passende wegingscoëfficiënten (art. 20, § 1er KB dd. 15 juli 2011)

    Een Brusselse politiezone besliste om via een open offerteaanvraag een opdracht van diensten te lanceren teneinde een operator voor elektronische communicatiediensten, met name vaste telefonie en internet, aan te duiden.

    Wat de prijsherziening van deze opdracht betreft, werd in het bestek evenwel geëist dat de opdrachtnemer zich ertoe verbindt om op elk moment de prijsvoorwaarden van hun meest begunstigde klant in België te bieden, en dit voor alle diensten die deze opdracht beoogt. Daarnaast vermeldde het bestek dat de opdrachtnemer of de aanbestedende overheid op elk moment een prijsherziening kan vragen naar boven of naar beneden toe, zolang deze naar behoren gemotiveerd wordt op basis van objectieve en verifieerbare elementen.

    Artikel 6, § 1 van de wet d.d. 15 juni 2006 inzake overheidsopdrachten bepaalt echter dat “de forfaitaire grondslag van de overheidsopdrachten geen belemmering voor de herziening van de prijzen in het licht van bepaalde economische en sociale factoren vormt”. Daarenboven stellen de bepalingen van artikel 20, § 1 van het KB d.d. 15 juli 2011 dat “de opdrachtdocumenten in een prijsherziening moeten voorzien op grond van de prijsevolutie van de uurlonen van het personeel en de sociale lasten en van één of meer relevante elementen zoals materiaalprijzen, grondstofprijzen, wisselkoersen of andere”. Volgens de bepalingen van dit laatste artikel steunt de prijsherziening immers “op objectieve en controleerbare parameters en maakt deze gebruik van passende wegingscoëfficiënten en weerspiegelt aldus de werkelijke kostprijsstructuur. In geval van moeilijkheden om een dergelijke prijsherzieningsformule samen te stellen, kan de aanbestedende overheid de gezondheidsindex, de index van consumptieprijzen of een andere passende index hanteren”.

    7 april 2014 - Één achtste van het totaal van de posten van een meetstaat te verwijderen

    Het college van burgemeester en schepenen van een Brusselse gemeente heeft verzaakt aan de gunning van een opdracht daar vastgesteld werd dat de prijzen van al de ontvangen offertes de raming van deze opdracht overschreden.

    Na aldus besloten te hebben de procedure verder te zetten, besloot de gemeenteraad om de gunningswijze te veranderen en de onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking in toepassing van de bepalingen van het artikel 26, § 1, 1°, e) van de wet van 15 juni 2006 betreffende de overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten te weerhouden. (procedure beperkt voor de opdrachten waarvoor enkel onregelmatige of onaanvaardbare offertes werden ingediend naar aanleiding van een open of beperkte procedure).

    Als gevolg van het tegelijkertijd vaststellen van het feit dat de raming van de projectontwerper onder geëvalueerd was, besloot de gemeenteraad de omvang van de oorspronkelijk geplande werken te verkleinen, op zulke wijze dat de uitvoering van de onontbeerlijke voorziene werken kunnen uitgevoerd worden binnen de beschikbare financiële enveloppe.

    De gemeenteraad keurde door dezelfde beslissing een bestek “bis” goed, dat de voorwaarden vastlegt en verwijderde door een addendum van één bladzijde een achtste deel van de posten van de meetstaat uit de oorspronkelijke voorwaarden van de opdracht.

    De bepalingen van het artikel 26, § 1, 1°, e) van de wet van 15 juni 2006 laten het beroep doen op een onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking ten gevolge van het neerleggen van onaanvaardbare offertes in het kader van een open procedure toe, onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat de oorspronkelijke voorwaarden vastgesteld voor de eerste procedure niet substantieel gewijzigd worden.

    Door een achtste van de posten van de oorspronkelijke meetstaat te verwijderen, blijken de voorwaarden van de opdracht sterk veranderd, terwijl de gemeente het niet-substantiële karakter van deze veranderingen niet aantoont.

    17 maart 2014 - Elke gunningsbeslissing van een overheidsopdracht moet gemotiveerd zijn

    Het gemeentebestuur van een Brusselse gemeente heeft twee opdrachten van werken uitgeschreven en beslist deze te gunnen door een vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met bekendmaking zoals voorzien door de bepalingen van het artikel 26,- § 2 – 1° , d) van de wet van 15 juni 2006 op de overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten.
    De documenten van de opdracht (bekendmaking van de opdracht en bestek) hadden geen gunningscriteria vastgesteld.
    Na de kwalitatieve selectie gaat de gemeente over tot de analyse van de offertes en vergelijkt in beide gevallen de opgegeven prijs en verder voor de eerste opdracht wat betreft de voorgestelde garantieperiode voor de geleverde werken en voor de tweede de aangeboden verkorting van de werfduur in werkdagen. In beide gevallen worden de ingediende regelmatige offertes ook vergeleken op hun “technische waarde welke de technische clausules van de betrokken bestekken verbeteren”. In de respectievelijke gunningsbeslissingen vermeldt de gemeente enkel de naam van de firma die vanuit haar oogpunt als beste naar voor komt. Deze laatste vaststelling wordt gedaan zonder vermelding, in de beslissing of in een afzonderlijk analyserapport, van de vergelijking met de overige offertes.
    Door op dergelijke wijze de analyse van de offertes uit te voeren, kan de beslissing van de gemeente  noch in rechte noch in feite nagekeken worden en is deze alleen begrijpelijk voor de beoordelaar zelf. Een niet gunstig geklasseerde firma kan uit de gunningsbeslissing onmogelijk opmaken in welke mate en waarom haar offerte minder gunstig geklasseerd werd dan “de beste offerte” voor het vergeleken punt van al de offertes.