U bent hier: Home / Thema / Overheidsopdrachten / Verdeling van de bevoegdheden

Verdeling van de bevoegdheden

Voorstelling

Zoals elke publieke persoon zijn de lokale overheden rechtspersonen die in het kader van een plaatsing, de gunning en de uitvoering van de overheidsopdrachten enkel kunnen handelen door tussenkomst van organismen speciaal bevoegd om hen juridisch te binden. Onder de nadere bepaling dat, voor de andere publiekrechtelijke personen dan de federale overheid en de instellingen die onder zijn hiërarchisch gezag staan “de bevoegdheden voor het plaatsen en uitvoeren van opdrachten uitgeoefend worden door de overheden en organen bevoegd krachtens de bepalingen van een wet, decreet, ordonnantie, reglement of statuut”, verwijzen de bepalingen van alinea 2 van het artikel 169 van de wet van 17 juni 2016 inzake overheidsopdrachten expliciet naar de reglementering van bevoegdheden in het geval van overheidsopdrachten en naar de specifieke wettelijke bepalingen voor elk openbaar bestuur.

 

Gelijkaardige bepalingen werden voorzien voor de concessies in artikel 63, alinea 2, van de wet van 17 juni 2016 betreffende de concessieovereenkomsten.

Uit deze bepalingen blijkt een onmiskenbare doorslaggevende plaats voorbehouden aan de lokale politieke overheden, eerste en vooral de gemeenten, maar ook voor de OCMW’s, de intercommunales, de autonome gemeentebedrijven tot aanbestedende overheden zoals bijvoorbeeld de “gemeentelijke” verenigingen zonder winstoogmerk waarvan de beheersorganen minstens gedeeltelijk samengesteld zijn uit politieke mandatarissen of hun vertegenwoordigers. De toegevallen rol, verband houdende met de overheidsopdrachten en de concessieovereenkomsten aan deze politieke overheid beperkt zich niet tot de basisbeslissingen zoals de keuze van de plaatsingsprocedure en de vaststelling van de voorwaarden van de opdrachten/concessies (namelijk de raming en de financiering van de uitgave evenals de documenten van de opdracht/concessie), maar betreft de ganse procedure, vanaf het aangaan van de procedure (bekendmaking) tot de selectie van de kandidaten of inschrijvers en de gunning aan de weerhouden inschrijver en tot de controle van de uitvoering.

 

Op het niveau van de gemeente

De bepalingen die de verdeling van de bevoegdheden in de materie van de overheidsopdrachten en de concessieovereenkomsten regelen, worden vastgelegd door de artikelen 234, 234bis en 236 van de NGW*.

Deze bepalingen benadrukken duidelijk het onderscheid tussen de volgende taken:

Al naargelang het geval, benoemen zij de gemeenteraad of het college van burgemeester en schepenen als competent beslissingsorgaan of bevoegdheid. Zij voorzien overigens een stelsel van bevoegdheidsdelegatie ten gunste van de Gemeentesecretaris of een bij naam aangewezen ambtenaar in goed vastgelegde gevallen.

Bovendien, in geval van dringende noodzakelijkheid die voortvloeit uit onvoorziene gebeurtenissen:

  • kan het college van burgemeester en schepenen, uit eigen beweging, de macht van de gemeenteraad uitoefenen tijdens de fase van de plaatsing. Zijn beslissing wordt gecommuniceerd aan de gemeenteraad die ervan akte neemt tijdens zijn volgende vergadering;
  • kunnen de burgemeester (of zijn vervanger) en de gemeentesecretaris (of zijn vervanger), uit eigen beweging, gezamenlijk de bevoegdheden van het college van de burgemeester en schepenen uitoefenen tijdens de fase van de uitvoering. Hun beslissing wordt gecommuniceerd aan het college van burgemeester en schepenen die ervan akte neemt tijdens zijn volgende vergadering.

 

* vgl.  Ordonnantie van 27 juli 2017 tot wijziging van de Nieuwe Gemeentewet teneinde de bevoegdheidsregels inzake gemeentelijke overheidsopdrachten te verduidelijken

 

Op het niveau van het OCMW

Het artikel 84 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn regelt de uitoefening van de bevoegdheden aangaande de plaatsing van overheidsopdrachten in de schoot van het OCMW.

Het komt toe aan de raad voor maatschappelijk welzijn om over te gaan tot de plaatsing van overheidsopdrachten van werken, leveringen en diensten in zijn geheel (keuze van plaatsingsprocedure, vastlegging van de voorwaarden, instellen van de procedure en gunning).

Paragraaf 3 van artikel 84 van voormelde wet voorziet in een regime van delegatie van deze bevoegdheid van de raad voor maatschappelijk welzijn aan het vast bureau binnen de beperkingen voorzien in artikel 27 van dezelfde wet. Een dergelijke delegatie is altijd verboden voor opdrachten van werken, leveringen en diensten waarvan de waarde hoger is dan:

  • 20.000 euro voor OCMW’s van gemeentes van minder dan 15 000 inwoners;
  • 40.000 euro voor OCMW’s van gemeentes van 15 000 tot 49 999 inwoners;
  • 100.000 euro voor OCMW’s van gemeentes van 50 000 inwoners en meer.

Tenslotte kan, in geval van dringende noodzakelijkheid die voortvloeit uit onvoorziene omstandigheden, het vast bureau uit eigen beweging de macht van de raad voor maatschappelijk welzijn uitoefenen, maar moet hij zijn beslissing communiceren aan de raad voor maatschappelijk welzijn die ervan akte neemt tijdens zijn volgende vergadering.

 

Op het niveau van de meergemeentelijke politiezones

In de zes meergemeentelijke politiezones van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest die werden opgericht en bekleed werden met een rechtspersoonlijkheid in toepassing van de bepalingen van het artikel 11 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, komt het aan de politieraad toe de bevoegdheden van de gemeenteraad uit te oefenen inzake de organisatie en beheer van het lokale politiekorps en aan het politiecollege (samengesteld uit de burgemeesters van de verschillende gemeenten die de zone vormen) deze toegekend aan het college van burgemeester en schepenen.

In ieder geval worden de bepalingen van de artikelen 234 en 236 van de NGW toegepast in de versie die bestond op het moment van de inwerkingtreding van de voormelde wet van 7 december 1998.

Derhalve, wat betreft de overheidsopdrachten, ligt de bevoegdheid tot het kiezen van de plaatsingsprocedure en het vastleggen van de voorwaarden van opdrachten van werken, leveringen en diensten (artikel 234,al.1, van de NGW) bij de politieraad .

Het politiecollege kan echter de gunningen van bovenvermelde politieraad uitoefenen op basis van een uitdrukkelijke delegatie van deze laatste voor de opdrachten inzake het dagelijks beheer en binnen de beperkingen van de ingeschreven kredieten met het oog op de gewone begroting.

Bovendien kan, in geval van dringende noodzakelijkheid die voortvloeit uit onvoorziene omstandigheden, het politiecollege uit eigen beweging dezelfde macht uitoefenen als de politieraad. Zijn beslissing moet gecommuniceerd worden aan de politieraad die ervan akte neemt tijdens zijn volgende vergadering.

Tenslotte is het politiecollege bevoegd om over te gaan tot de organisatie van de bekendmaking en het gunnen van deze opdrachten. Hij kan aan het contract elke wijziging die hij noodzakelijk acht tijdens de uitvoering aanbrengen, voor zover dit niet resulteert in bijkomende uitgaven van meer dan 10 procent (artikel 236 van de NGW).

 

Op het niveau van de intercommunales

De verenigingen van intercommunales kunnen verschillende juridische vormen aannemen, gaande van de naamloze vennootschap tot een vereniging zonder winstoogmerk of een coöperatieve vennootschap (met beperkte aansprakelijkheid).

De bepalingen betreffende de bevoegdheden in hun organisatie worden geregeld door de basisreglementen betreffende elk van deze juridische vormen, ofwel het Wetboek voor vennootschappen of de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen bij dewelke moeten toegevoegd worden deze vervat in de wet van 22 december 1986, nog steeds van toepassing zijnde op de intercommunales van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

Buiten deze algemene regels vervat in dit kader van basisreglementen, komt het elke intercommunale toe bijzondere bepalingen vast te leggen in verband met de samenstelling en de mandaten van de organisatie- en controleorganen.

 

Op het niveau van de autonome gemeentebedrijven

Het artikel 263ter, § 1, van de NGW bepaalt dat het autonome gemeentebedrijf wordt beheerd door een raad van bestuur en een directiecomité. Voor een overgroot deel samengesteld uit leden van de gemeenteraad, oefent de raad van bestuur de controle uit op het beheer verzekerd door het directiecomité en stelt een jaarlijks ondernemingsplan op en het activiteitenrapport dat hij aan de gemeenteraad voorlegt. Hij heeft, bij toepassing van de bepalingen van § 2 van het artikel 263ter bovenvermeld, de bevoegdheid alle nodige of noodzakelijke acties te ondernemen ter uitvoering van het sociale doel. De plaatsing van de overheidsopdrachten in dit kader georganiseerd vallen dus onder zijn bevoegdheid.

 

Op het niveau van de kerkfabrieken

Elke kerkfabriek bestaat volgens het artikel 2 van het keizerlijk decreet van 30 december 1809 uit een raad en een bureau van kosters.

De raad van de kerkfabriek gaat over tot de keuze van de plaatsingsprocedure, de vaststelling van de voorwaarden, de gunning en het volgen van de uitvoering van de overheidsopdrachten.