U bent hier: Home / Thema / Overheidsopdrachten / Nieuws / 16 september 2015

16 september 2015

Het persoonlijk karakter van de erkenning van aannemers van werken
Het persoonlijk karakter van de erkenning van aannemers van werken
 
Alinea 1 van het artikel 70 van het KB plaatsing herneemt de regel vastgesteld door het artikel 3, § 1e, van de wet van 20 maart 1991 houdende regeling van de erkenning van aannemers van werken, namelijk :
 
Ҥ 1. Opdrachten voor aanneming van werken als bedoeld in artikel 2, waarvan de omvang een bij koninklijk besluit vastgesteld bedrag overschrijdt, mogen slechts worden gegund aan aannemers, zowel privaatrechtelijke als publiekrechtelijke personen, die op het ogenblik van de gunning :
1° hetzij hiervoor erkend zijn;
2° hetzij de bewijzen hebben geleverd dat zij voldoen aan de voorwaarden gesteld door of krachtens deze wet.”
 
In zijn arrest n° 232.070 van 21 augustus 2015 heeft de Raad van State prima facie beslist in de zin van het strikt persoonlijke karakter van de erkenning van de aannemers van werken, ervan uitgaande dat een aannemer van werken die niet over de vereiste klasse van erkenning beschikt, geen specifieke verbintenis van een onderaannemer of een derde mag inroepen in toepassing van het artikel 74 van het KB plaatsing om het voldoen aan een vereiste aangaande de erkenning vastgesteld in het kader van de plaatsing van een overheidsopdracht te rechtvaardigen.
 
Uit dit arrest blijkt dat de kandidaat of inschrijver zelf moet erkend zijn in de vereiste categorie of het bewijs moet leveren dat hij zelf de voorwaarden vervult, vastgesteld door de voormelde wet van 20 maart 1991 om erkend te worden in de desbetreffende categorie. De middelen tot rechtvaardiging worden gepreciseerd in het artikel 70, 2de alinea, van het KB plaatsing, namelijk :
 
“De aanvraag tot deelneming of de offerte vermeldt :
1° ofwel dat de kandidaat of inschrijver over de vereiste erkenning beschikt;
2° ofwel dat de kandidaat of inschrijver in het bezit is van een certificaat of ingeschreven is op een officiële lijst van erkende aannemers in een andere lidstaat van de Europese Unie. In dat geval voegt de kandidaat of inschrijver bij zijn aanvraag tot deelneming of offerte het door de bevoegde certificeringsinstelling afgeleverde certificaat of het door de bevoegde instantie van de lidstaat bevestigde bewijs van inschrijving en elk document dat de gelijkwaardigheid tussen deze certificering of inschrijving en de vereiste erkenning als bedoeld in het eerste lid kan aantonen. Op dit certificaat of deze inschrijving worden de referenties vermeld op grond waarvan de certificering respectievelijk de inschrijving op de lijst mogelijk was;
3° ofwel dat de kandidaat of inschrijver de toepassing inroept van artikel 3, § 1, 2°, van de voormelde wet van 20 maart 1991. In dat geval voegt de kandidaat of inschrijver de nodige bewijsstukken bij zijn aanvraag tot deelneming of bij zijn offerte.”
 
In dit verband wordt de inhoud van het artikel 6 van de voormelde wet van 20 maart 1991 in herinnering gebracht : 
 
“Een opdracht voor aanneming van werken kan pas worden gegund aan een niet-erkend aannemer die de bewijzen, bedoeld in artikel 3, § 1, 2°, voorlegt of zich beroept op een inschrijving op de officiële lijst van de erkende aannemers in een andere Lid-Staat van de Europese Gemeenschap, nadat (de Gewestregering), op verzoek van de opdrachtgever en na advies van de Commissie, heeft beslist dat voldaan is aan de erkenningsvoorwaarden bepaald in artikel 4, § 1, respectievelijk aan de vereisten inzake gelijkwaardigheid van een erkenning bedoeld in artikel 5.
Wanneer de Commissie een negatief advies formuleert, wordt de betrokken aannemer, nadat het advies hem werd betekend per aangetekend schrijven, in de mogelijkheid gesteld om gehoord te worden. Het definitief advies van de Commissie moet antwoorden op de verweermiddelen van de aannemer.”
 
Dit moet niet verward worden met de situatie van een vereniging zonder rechtspersoonlijkheid van aannemers die een vraag tot deelneming of een offerte zouden indienen welke zich kan beroepen op de bepalingen van het artikel 11 van dezelfde wet, waarvan de inhoud hieronder wordt weergegeven :
 
“§ 1. De tijdelijke verenigingen van aannemers worden tot de uitvoering der werken toegelaten, voor zover ten minste één der deelgenoten over een erkenning beschikt die overeenstemt met de voor die werken vereiste klasse en categorie of ondercategorie of daartoe de bewijzen heeft geleverd bepaald in artikel 3, § 1, 2°, en voor zover de andere deelgenoten beantwoorden aan de voorwaarden gesteld bij artikel 4, § 1, 1°, 2°, 3°, 4° en 7°. De deelgenoten mogen in geen geval het voorwerp uitmaken van een uitsluiting, schorsing of intrekking van erkenning in de zin van artikel 19.
 
  § 2. De tijdelijke verenigingen waarvan ten minste twee deelgenoten erkend zijn in dezelfde klasse en categorie of ondercategorie of, overeenkomstig artikel 3, § 1, 2°, bewijzen aan de voorwaarden voor die erkenning te voldoen, worden geacht de vereiste erkenning te bezitten voor de uitvoering van de in de onmiddellijk hogere klasse ingedeelde werken van die categorie of ondercategorie.
  De bepaling van het vorig lid vindt geen toepassing wanneer de deelgenoten van de tijdelijke vereniging slechts erkend zijn in de laagste klasse.”