U bent hier: Home / Corona ouderschapsverlof

Corona ouderschapsverlof

Enkele verklaringen van BPB over het koninklijk besluit nr. 23 tot uitvoering van artikel 5, § 1, 5°, van de wet van 27 maart 2020 die machti-ging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het co-ronavirus Covid-19 (II) houdende het corona ouderschapsverlof

In artikel 1, 1° en 2° (de tekst is hier beschikbaar) wordt verwezen naar de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, afdeling 5, hoofdstuk IV en naar de koninklijke besluiten inzake ouderschapsverlof: de koninklijke besluiten die voorzien in een vermindering van de arbeidsprestaties in het kader van het ouderschapsverlof met een uitkering van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening op grond van de wet. Dit hoofdstuk van de herstelwet is van toepassing op de lokale besturen.

Dit is ook het geval met het koninklijk besluit van 29 oktober 1997 tot invoering van een recht op ouderschapsverlof in het kader van de onderbreking van de beroepsloopbaan. Alinea 2 van artikel 1 van dit besluit bepaalt:

Dit besluit is eveneens van toepassing op het statutair en contractueel personeel van de provincies, de gemeenten, de agglomeraties en federaties van gemeenten en hun werkgevers. De openbare inrichtingen en de publiekrechtelijke verenigingen die afhangen van de besturen vermeld in het vorig lid worden eveneens gemachtigd op hun personeel de bepalingen van dit besluit toe te passen.

 

Anderzijds is de toepassingssfeer van het koninklijk besluit nr. 23 van 13 mei 2020 zeer ruim. Artikel 2 van dit besluit bepaalt:

De werknemers die op grond van één van de koninklijke besluiten inzake ouderschapsverlof, de arbeidsprestaties kunnen verminderen in het kader van het ouderschapsverlof, komen in aanmerking voor een corona-ouderschapsverlof, overeenkomstig de bepalingen van dit besluit.

 

Zoals gezegd levert het koninklijk besluit van 29 oktober 1997 een dergelijke grondslag.

Uit deze algemene formulering kan men concluderen dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om deze nieuwe maatregel zeer ruim toepassing te doen vinden, dus inclusief de lokale besturen.

Het koninklijk besluit nr. 23 heeft dan ook directe werking voor de lokale besturen en kan door hen onmiddellijk toegepast worden.

In het verslag aan de Koning komt echter een zin voor die mogelijk voor verwarring kan zorgen.

Het gaat om de volgende zin: "Merk ook op dat gelet op de bevoegdheden van de gewesten en gemeenschappen om het statuut van personeel te regelen, de gewesten en gemeenschappen bevoegd zijn te bepalen of dit ouderschapsverlof automatisch van toepassing is op de statutaire ambtenaren van de gewesten, gemeenschappen, de lokale besturen en het onderwijs, of indien zij dit nodig achten, statutair de mogelijkheid te voorzien voor een vorm van ouderschapsverlof voor deze statutaire ambtenaren."

Deze zin kan enkel een betekenis hebben voor het personeel van de deelstaten die voor hun statutaire ambtenaren een beslissingsmarge hebben behouden. Om echter alle verwarring te voorkomen heeft BPL deze kwestie voorgelegd aan de directie Reglementering Tijdskrediet van de RVA. Uit het antwoord van de RVA blijkt dat de lokale besturen deze nieuwe regeling in hun statuten kunnen opnemen, maar dat is duidelijk een mogelijkheid, geen verplichting.

Het koninklijk besluit heeft dus wel degelijk directe werking voor de lokale besturen, en kan dus onmiddellijk toegepast worden.

De RVA stelt geen bijkomende voorwaarden: zodra een aanvraag wordt gedaan, wordt er van uit gegaan dat er bij die werkgever een ouderschapsverlof bestaat.

Wat de inhoud van de nieuwe regeling zelf betreft, verwijst BPL naar de website van de RVA.

gearchiveerd onder: